
ANALYSE - Tik op de vingers in Otium-zaak
ANALYSE REDACTIE
‘Otium’ of de ‘Otium-zaak’ zal weinig mensen iets of laat staan veel zeggen. Het betreft een nog niet operationeel zonne-energiebedrijf dat stroom wil leveren aan het elektriciteitsnet van Aqualectra en dat tot nu toe - populair gezegd - al sinds 2021 ‘aan het lijntje wordt gehouden’ door specifiek de minister van Economische Ontwikkeling (MEO). Dat kan op zich om hem goed moverende en wellicht zelfs valide redenen het geval zijn; dat is namelijk de politieke verantwoordelijkheid van de bewindsman en van de regering als geheel. Een stuk ernstiger wordt het echter als de minister en daarmee het Land Curaçao een vonnis gewoon naast zich neerlegt. In verband met de Otium-zaak betrof het een uitspraak met een opdracht aan de minister.

Uit een nieuwe beslissing, vorige maand vastgesteld, blijkt duidelijk dat het Gemeenschappelijk Hof van Justitie hier niet van is gediend. De MEO-minister kreeg daarom een duidelijk standje van de drie rechters die zich over deze kwestie hebben gebogen. Het feit dat het Hof er een eigen persbericht over heeft uitgestuurd, geeft al aan dat er binnen het Hof extra waarde aan wordt gehecht, want dat gebeurt lang niet altijd bij alle van de vele vonnissen die dagelijks worden uitgesproken. Het Hof wil hiermee duidelijk de aandacht op deze zaak vestigen.
En niet eens zozeer inhoudelijk - het is uiteindelijk de regering die zich over de concessie (vergunning) moet uitspreken - maar meer en vooral over het feit dat het optreden van de MEO-bewindsman de indruk wekt feitelijk lak te hebben aan de eerdere uitspraak. In de belangenafweging stelt de beslissing dan ook letterlijk: „Het Hof betrekt daarbij de rechtszekerheid en het respecteren van oordelen van de (hoogste) rechter.”
Dit laatste, het respecteren van oordelen van de rechter, is wat MEO en de regering niet hebben gedaan; er is vermoedelijk willens en wetens géén uitvoering gegeven aan een eerdere opdracht van het Hof. Dat is ernstig. Weliswaar heeft de minister een eigen (politieke) verantwoordelijkheid, in de rechtstaat van het Land Curaçao is er nog altijd de verdeling van de macht met - naast de uitvoerende macht - ook de wetgevende én de rechtsprekende macht. Zo is dat met elkaar afgesproken, juist ter bescherming van iedereen, ook van de minderheid tegenover de meerderheid; mogelijk ooit in het belang van de minister zelf - al dan niet in privé.
Het zittende kabinet-Pisas (MFK) heeft de touwtjes stevig in handen; zowel in de regering (100 procent) als in het parlement (de meerderheid). En dat biedt voor wat de betreft de bestuurlijke besluitvorming en daadkracht veel voordelen, zoals premier Gilmar Pisas onlangs nog verklaarde. Maar de regeringsleider gaat in de fout als hij daar in zijn over-enthousiasme aan toevoegt dat ‘wanneer je in de regering zit, je de moed moet hebben om beslissingen te nemen die in het belang zijn van het volk’ en - om dit deel gaat het - ‘mogelijk zelfs in strijd zijn met de wet’. Een uitspraak die in de media werd opgetekend, maar die nadien niet is ingetrokken, verbeterd of nader genuanceerd door de regering of de regeringswoordvoerder.
Het enige wat laatstgenoemde daarover verklaarde is dat de speech niet op papier stond maar ter plekke ‘spontaan’ was uitgesproken. Dit maakt feitelijk geen verschil natuurlijk. Pisas ging volgens de verslaggeving zelfs zover door te zeggen dat - sterker nog - volgens hem ‘de rechter zelf achteraf zegt dat het algemeen belang voorrang moet krijgen boven de wet’. Het is onduidelijk waar specifiek op wordt gedoeld, maar laat het helder zijn: voor iedereen geldt de wet. Oók voor de regering, ook de minpres, de minister van MEO en alle andere bewindslieden. Dat is het fundament waar de samenleving op is gebouwd.
Hier niet aan voldoen, kan de bevolking bovendien duur komen te staan, zo bleek in de Otium-kwestie nog maar eens: omdat de MEO-minister ‘zich niet heeft gehouden aan de eerder gegeven opdracht’, ziet het Hof in deze zaak aanleiding aan de nieuwe opdracht ‘een dwangsom te verbinden van 1.000.000 gulden ineens’. Dit betekent dat de minister (lees: het Land Curaçao) een dwangsom verbeurt van niet minder dan een miljoen als niet aan álle onderdelen - met onderstreping van het woord ‘alle’ door het Hof - van de opdracht is voldaan.
Het betreft hier geen geld van de minister persoonlijk, maar duur verdiend gemeenschapsgeld. Het is duidelijk: de wet is voor iedereen van toepassing en allen dienen zich te houden aan de democratisch vastgestelde regels van onze rechtsstaat. Zo niet, volgt terecht en onherroepelijk een (gevoelige) tik op de vingers.


